November, slachtmaand….

We hoorde hem al voor hij het erf op kwam. Bij iedere stap rammelde het onheilspellend. Een voorbode. Er hingen haken in vreemde vormen en vlijmscherpe messen in alle formaten aan zijn gordel. Nog meer attributen waarvan ik mij het gebruik niet kon voorstellen. Hij had een vreemde gebruinde gladde huid.

Het varken werd de stoep opgedreven, tegenstribbelend  met verschrikte ogen. Hij wist al wat er ging gebeuren. De vette flanken trilden. Aan het schot was niet te ontkomen. We zaten onder de keukentafel met onze handjes voor onze oren. Toch kwam het hard binnen. We keken na een doodstille tijd door het keukenraam. We meenden hem te zien naschokken terwijl er damp opsteeg. De slachter was hem aan het scheren en goot gloeiend heet water over het dier heen. Mijn moeder moest gereed staan met een emmer om het bloed op te vangen. Ze zou er straks bloedworst van maken.

Nu was hij echt dood en ik opgelucht. Emmers vol warm dampende darmen werden afgevoerd. De urineblaas bleef bewaard. Daar maakte we later een rommelpot van. Een soort muziektrommeltje. Het geluid was geen muziek, meer een onbeheerste kras.

Met flinke halen maakte de slachter het varken meester en hing hem binnenste buiten aan een ladder. Toppunt van naakte vernedering.

Mijn vader was veelal afwezig tijdens het slachten. Hij tuurde naar trekvogels, of wroette in de aarde. Hij vond overal prachtige verhalen. Een zachtaardige denker in de natuur. Mijn moeder vermaalde de restanten van het varken met liefde tot zult en balkenbrij. Ik hield me vast aan het witte halsboordje van haar blouse wat net boven haar schort uit stak. Het rode boeren bonte hoofddoekje stond haar goed.